 |
|
Preek
|
|
eerste zondag in de veertigdagentijd
INLEIDING Bijna overal ter wereld, lieve mensen, wordt op deze 1e vastenzondag het verhaal gelezen van Jezus verzoeking in de woestijn. Daar werd hij volgens de evangelisten door de Geest heen gedreven om er beproefd te worden op zijn geschiktheid voor de taak die hem wachtte. Velen vóór hem waren om diezelfde reden 40 dagen en 40 nachten in de woestijn geweest. Denkt u maar aan Mozes of Elia. Maar u hoeft niet alleen aan bijbelse figuren te denken. Want in álle godsdiensten en culturen worden wij getekend als mensen die beproefd en getest moeten worden om tenslotte na allerhande avonturen als wedergeboren, vernieuwde en verlichte mensen onze roeping te volgen en onze taak ten dienste van anderen op ons te nemen En wat ons allemáál overkomt wordt natuurlijk bij uitstek zichtbaar in degenen die uitgedaagd en geroepen worden om als godsdienststichters of profeten ons voor te gaan.
En zo is vandaag de verzoeking ons thema. Dat is best een lastig en ingewikkeld thema. Want door wíe wordt een mens nou eigenlijk tot kwaad verleid? En belangrijker nog: is het wel waar wat ons de eeuwen door geleerd is, is het wel kwaad om te eten van de boom van de kennis van goed en kwaad? Welke onnozele hals zou daarvan nou niet willen eten? En zo ben ik met het noemen van die boom ineens aangeland bij Genesis 3, dat andere bijbelse raamverhaal waarin de mens getest wordt, wat men later wel het verhaal van de zondeval genoemd heeft. Maar dat staat nergens. Dat is een misverstand. Het is, denk ik, veeleer het verhaal van menselijke volwassen- en bewustwording waartoe God om zo te zeggen de mens verleiden wil. Alsof Hij expres op de geverfde bank een bordje 'nat' gezet heeft. Zo u wilt: de ervaring, dat vermeerdering van kennis ook altijd vermeerdering is van smart. Een smart, die we desondanks toch niet zouden willen en mogen missen. Hoort u maar:
Lezen: Genesis 3, 1-9 en Mattheüs 4, 1-11 Onze samenleving, lieve mensen hier en aan de radio, hangt van testen en beproeven aan elkaar. Met proefmonsters en vergelijkend warenonderzoek toetsen wij producten of ze wel veilig en gezond zijn. Via proefwerken en examens testen wij de aantredende jeugd. Zijn ze tegen uitdagingen opgewassen, waar liggen hun mogelijkheden en hoe bieden zij het hoofd aan moeilijkheden?
Daarom is er, denk ik, ook geen godsdienst, waarin ons leven niet wordt voorgesteld als de reis van een held die geroepen wordt op avontuur te gaan en dan door allerlei gruwelijke gevaren op de proef gesteld wordt, alvorens ingewijd te kunnen worden als gids voor zijn medemensen. U hebt allemaal wel eens gehoord van Gilgamesj, die aan de goden het eeuwige-leven-kruid wist te ontfutselen, dat hem op zijn beurt toen hij sliep weer ontroofd werd door, u raadt het al, ... een slang ... Of misschien het verhaal van het 'gulden vlies' over de arme koning Athamas die oprecht meende dat hij zijn zoon aan Zeus moest offeren. Maar toen hij op diens gewijde berg al met het offermes in de aanslag stond daalde er plotseling een gevleugelde ram neer met een gouden vacht waarop de jongen werd weggevoerd.
Wie denkt er bij dat verhaal niet aan de beproeving van Abraham? En wat heeft Prometheus niet allemaal moeten doorstaan, toen hij voor de mensen het vuur had gestolen uit de hemel van Zeus, die dat juist ten koste van alles had willen vermijden omdat hij geen wezen wenste dat de goden te nabij zou komen. Niet alleen Prometheus zelf werd gestraft, maar ook de mensen die tot dan toe in paradijselijke rust hadden geleefd, zonder ziekte of verdriet, werden door de goden gestraft met de schepping van de vrouw. Pandora heette ze, de Albegiftigde. Zeus gaf haar een doos, waar zij nooit in mocht kijken. En met die doos zond hij haar naar Prometheus' broer Epimetheus. Prometheus betekent Voor-afdenkende en Epimetheus is Achterafdenkende.
En hoewel Prometheus hem nog zo gewaarschuwd had lichtte hij samen met Pandora toch het deksel op. En, o schrik, er vlogen allemaal gruwelijke wezens uit. Ziekten, rampen en misdaden, die de mensen tot dan toe niet gekend hadden, hadden zich in géén tijd over de gehele aarde verspreid. Toen zij onmiddellijk het deksel weer dicht klapten was er in de doos, nog maar één wezen over: namelijk de hoop. En daarom rest ons mensen nog altijd de hoop dat het weer anders zal worden...
En ook van de toekomstige Boeddha wordt ons een verteld dat het voor iedereen een grote vreugde was toen hij onder de boom der Verlichting zat Alleen de boze god Mara, de Verwarringzaaier, was bang dat Boeddha hem met zijn wijsheid onttronen zou en bestookte hem met al zijn pijlen van lust, genot en begeerte. Volgens het officiële Boeddhisme mogen Bevrijding en Verlichting dan uitsluitend een zaak zijn van trainen en absoluut niet van goddelijke genade, zodra je boeddhistische verhálen gaat lezen wemelt het van goden en demonen op wie de mensen hun eigen deugden en ondeugden projecteren.
En in onze eigen christelijke traditie is het niet anders. Ook wíj weten wel dat je over de binnenste kern van het levensmysterie, dat we God plegen te noemen, eigenlijk niets zeggen kunt. Om vervolgens los te barsten in een bijbel vol verhalen, gezangen en gebeden, waarmee we het geheim omcirkelen. Verder dan omcirkelen komen we trouwens niet. Er zijn bijvoorbeeld apocriefe bijbelse tradities waarin de slang hogelijk als lerares der wijsheid geprezen wordt omdat zij de mensen op eigen benen heeft leren staan.
Maar, gemeente, ook al blijft het dan bij omcirkelen, wat zéggen ons nu eigenlijk die verzoekingsverhalen? Als ik het goed zie gaat het in al die verhalen om de vrijheid van de mens zichzelf ter wille van een hoger goed los te maken van de begeerte naar 'instant-bevrediging'. Want wie door dik en dun zijn behoeften met onmiddellijke ingang wil bevredigen is een destructief mens, die zowel zijn omgeving als zichzelf beschadigt. Precies dus de dagelijkse dilemma's van ons leven. Juist daarover verkeert een mens immers altijd in tweestrijd.
En die tweestrijd in je eigen ziel projecteert het boeddhistische sanskriet of pali op de Verwarringzaaier, die met zijn bloemenboog en zijn cupidopijl de mens bestookt, die juist onder de Boom der Verlichting zit. En in welk joods of christelijk oor resoneert nu niet de Boom van de Kennis van goed en kwaad? In het bijbelgrieks heet die tweestrijd in je ziel, heet die Verwarringzaaier de diabolos, de Splijter, die de dingen door elkaar gooit en er een puinhoop van maakt, zodat je niet meer weet wat nu ook al weer goed of kwaad was. En in het hebreeuws de Satan: de tegenspeler. Degene die een schaduwgevecht levert met de Allerhoogste, zodat het voor een mens bepaald niet meevalt om te onderscheiden wat bij God hoort en wat niet. En ook al zien wij geen duivel meer en geen Satan of Mara wij weten wél van tweespraak, van tweestrijd en donkere gedachten in ons eigen hart.
En ín die tweestrijd treffen wij vandaag Boeddha aan en Jezus van Nazareth. Beiden na lange afzondering in vasten, gebed of meditatie. Op een eenzame plaats in de wildernis. Een plek die overal liggen kan, een plek in ieder geval die je helpen kan om zicht te krijgen op wat er in ons leven werkelijk toe doet maar waarvoor in ons dagelijks leven dikwijls geen plaats is: outopos, utopie.
Zo'n eenzame woestijnplek dient zich in elk mensenleven wel een keer aan, maar je gaat er niet zo gauw uit vrije wil naar toe. Slechts gedreven door de Geest kom je er terecht. Dat is in élk mensenleven zo. Maar vooral in de levens van mensen die voor ons gevoel meer nog dan anderen geroepenen waren. Dan moet van meet af aan in hun levensverhaal alles er op wijzen dat ze niet zo maar iemand zijn. Dat zie je bij Jezus zo goed als bij Boeddha, Mozes en Mohammed.
Als wij mensen van iemands woorden onder de indruk zijn, dan gaat het natuurlijk om die woorden, om de inhoud van hun boodschap en niet om hun persoon, maar dan kunnen wij het blijkbaar toch niet laten om het bijzondere van die woorden nog eens nadrukkelijk te onderstrepen met verhalen, die moeten aantonen dat het er van meet af aan al in zat, dat het eigenlijk niet anders kon, dat het zo wel moest gebeuren. Als jij een kind van God bent, zegt de Satan tot drie keer toe. En hij begint bij de honger. Vervolgens tapt hij uit het vaatje van het snelle succes en tenslotte spiegelt hij Jezus grote macht voor.
Eerst het brood. Overgezet naar onze leefwereld: als je een goeie baan hebt en iedere maand je geld, waarover zou je dan nog moeilijk doen, bijvoorbeeld als klokkenluider in niet kosjere zaken? Het zal je niet in dank worden afgenomen.
Dan het dak van de tempel: springers naar snel succes, die onverantwoorde risico's nemen, zullen niet worden tegengehouden, maar er op rekenen dat ze beneden opgewacht zullen worden door engelen met goud, dat valt niet aan te bevelen. Dat is de goden verzoeken.
En tenslotte de macht: de wolkenkrabber waar de energiegigant Enron zetelt biedt uitzicht op een bedrieglijk mooi leven als je tenminste knielen wilt voor de Mammon. Maar in zijn vrije val heeft hij tallozen van hun pensioen beroofd.
Mensen die omwille van hun broodje nooit een klok luiden, roekeloze springers en Mammon-aanbidders die heb je in het groot en die heb je in het klein.
Als jij een kind van God bent, zegt de duivel in het verhaal. En daarmee bedoelt hij niet: ik twijfel nog, laat eerst maar eens zien wat je kunt. Hij bedoelt: nu dat zo duidelijk is, wat let je dan nog? Als de tempel van Jeruzalem je einddoel is waarom neem je dan de kortste weg niet? Waarom eindigt het niet met een theatrale landing van Jezus op het tempelplein? Waarom geen menigte die juicht dat de Messias precies zo gekomen is als iedereen gedacht had? Waarom niet zo? Waarom die lange lijdensweg? Waarom -zo vroeg ooit Bertold Brecht- hebben de goden geen tanks en kanonnen? Jezus gaf als antwoord: je zult de Here God niet beproeven.
Jezus lijkt te denken, gemeente, dat niet alleen de mens, maar ook God in verzoeking gebracht kan worden. En daarom zegt hij tot de duivel of misschien wel tot de vragen die zijn eigen hart bestormen: je zult de Here God niet tot het uiterste drijven. Zo mag je niet met je leven omgaan, dat je God als het ware tot ingrijpen probeert te dwingen.
Maar wat is er eigenlijk tegen, gemeente, tegen die bekoring van de kortste weg, de lekkere trek en de snelle winst? Wat is eigenlijk het verschil tussen een knieval voor de duivel en gehoorzaamheid aan God? Ik denk dat dat het verschil is tussen doel en middelen. Want de kwaliteit van het resultaat wordt bepaald door de wég er naar toe. De weg naar de vrede kan alleen met pijn en moeite begaan worden. In vallen en opstaan. Het is niet anders. Leven is geen instant verlichting: klaar terwijl u wacht. Leven is oefenen en trainen, is iedere dag weer balanceren. Daarvan getuigen Jezus en Boeddha ieder op hun eigen wijze.
Waar mensen niet bereid zijn die weg te gaan, rest uiteindelijk alleen nog de dictatuur, het dogma en de blinde overtuiging. Leven is traag, communiceren is moeizaam en gerechtigheid haal je niet bij de bakker. Maar het kwaad is snel en gaat over lijken of het nu Satan genoemd wordt of Mara, die de toekomstige Boeddha de glorierijke snelle weg aanbeveelt van alle gewapende wereldleiders.
Maar Boeddha geeft geen krimp en Jezus springt niet. Zij kiezen de omweg naar Jeruzalem en vertrouwen erop dat die niet dood loopt ondanks de schijn van het tegendeel. Daarom werden Jezus' volgelingen aanhangers van de weg genoemd. Ze gingen mee met hem die ze liefhadden zonder te berekenen wat het hen kosten zou.
En wij, gemeente? Kunnen wij telkens opnieuw weerstand bieden aan de bekoring van de kortste weg? Daarbij denk ik niet alleen aan de grote politiek, maar ook aan de kleine dwingelandij tussen mensen. Hoe dikwijls zijn wij er op uit mensen naar onze hand te zetten? Hetzij grof hetzij subtiel? Misschien wel uit angst voor verwarring. Geduldig afwachten en laten rijpen is niet altijd onze sterkste kant. En áls dat moeite kost, misschien helpt het dan om te beseffen, dat die weg van zelfbeproeving in de eenzaamheid, de weg van afzien van geweld en dwingelandij, die weg van veertig dagen en nachten in het voetspoor van Jezus en Boeddha door heel wat mensen eerder beproefd is en dat niet alleen aan hen maar aan ieder van ons een brevet verleend is waarop staat: jij bent mijn veelgeliefd kind; in jou verheug ik mij.
Amen
Deze preek is onderdeel van de kerkdienst
- Kerkdienst vanuit de Remonstrantse Kerk in Eindhoven (17-2-2002)
|
|
|
|